Na vele foto’s te hebben gezien, verhalen te hebben gehoord en informatie te hebben gelezen, mochten wij hem dan voor de zomervakantie eindelijk in het echt zien; de Da Vinci Robot. Het LUMC had ervoor gezorgd dat wij met ongeveer twintig studenten, twee uur lang mochten oefenen en ‘spelen’ met dé robot. Daar ging mijn hart als technische geneeskundige natuurlijk sneller van kloppen. De Da Vinci is zo genoemd, omdat Da Vinci, tot zover wij weten, de eerste is die een robot uitvond. Maar wat is het nou precies voor robot en hoeveel wordt hij daadwerkelijk gebruikt in de zorg?

Laten we beginnen met het feit dat het woord robot niet helemaal juist gekozen is. De definitie van een robot luidt: ‘Een machine die beschikt over een stoffelijke vorm (‘lichaam’) en een beslissingsmodel (programma)’. [1] Nu is er bij de Da Vinci Robot geen sprake van een beslissingsmodel, de arts bepaalt nog steeds welke handelingen er gebeuren. De robot kan dus meer worden gezien als een lid van het team. Hij is er om te helpen. Door de Da Vinci kan de arts zijn bewegingen preciezer uitvoeren, wordt de tremor weg gefilterd en heeft hij een extra arm voor de operatie tot zijn beschikking. Dit brengt gelijk een discussiepunt naar boven: Wat als er iets mis gaat tijdens een behandeling? Wie is er dan verantwoordelijk? De arts of de Da Vinci?

Status in ons land

Nederland beschikt momenteel over meer dan 20 van deze robots verspreid over allerlei ziekenhuizen. Momenteel is er echter één behandeling waar hij continu wordt ingezet; de prostatectomie. Eén robot kost alleen al 1,8 miljoen euro, waarbij er elk jaar nog zo’n 180.000 euro bij komt voor onderhoudskosten. [2] Maar waarom worden in Nederland dan toch zo gemakkelijk overal van deze robots aangeschaft? Je zou denken dat wanneer er ongeveer maar één behandeling mee wordt uitgevoerd, een paar robots op centrale plekken genoeg zou moeten zijn.

Gretigheid Nederlanders

Volgens mij zijn wij in Nederland af en toe te gretig naar de nieuwste snufjes, ik zie het net zo goed bij mijn vrienden en mezelf , als ik kijk naar onze mobiele telefoons. Mijn telefoon werkt nog prima, maar zodra ik zie hoe scherp de foto’s van mijn buurman wel niet zijn wil ik het liefst nog direct overstappen. En zo gaat het er denk ik net zo aan toe met deze robot, want ik moet toegeven dat ik bij het gebruiken van de Da Vinci ook direct fan was. De Da Vinci kon perfect op mij worden afgesteld, ik zat lekker en zag alles zonder de moeite die ik soms heb met het kijken door een microscoop. Heel soepel en gemakkelijk konden we de robot besturen, waarna we daarna op een console mochten oefenen door middel van een spelletje. Het doel was om de juiste kleur ringetjes om de juiste pionnen te doen. Het systeem lette daarbij op snelheid, precisie, het onnodige gebruik van de armen en de verkeerde bewegingen. Achteraf kreeg je een score van 0-100 procent, en daar zat ik met mijn 92 procent. Vrij hoog voor nog nooit te hebben geoefend met het apparaat, iets wat de uitspraak van ‘een korte leercurve’ zeer ten goede komt.

Al met al is het vooral belangrijk om goed in het achterhoofd te houden hoe de kosten en baten zich verhouden tegenover elkaar. Met zekerheid kunnen we zeggen dat de technologie zich blijft door ontwikkelen en dat er steeds meer gebruik van gemaakt zal worden. Echter komt er straks misschien wel een andere variant die wij allemaal direct willen hebben, want hoe nieuwer hoe beter. Ik vind dat Nederland zich in dit soort situaties juist moet laten zien van haar sterke kant; een klein land met vele verbindingen. Een aantal ziekenhuizen de operaties uit laten voeren met een Da Vinci zou voldoende moeten zijn. Kennis op elkaar doorspelen en pas bij harde resultaten verdere aanschaffen doen. Ons koppie erbij houden en de gretigheid achterwege laten, is bij dit soort beslissingen van groot belang. Bij het maken van dit soort keuzes zie ik in de toekomst een plek voor de klinische technoloog.

Lisanne de Moel is studente Klinische Technologie aan het Erasmus MC, het LUMC en de TU Delft.