Elke week stellen wij een zorgvernieuwer vijf scherpe vragen. Door ons te beperken tot die vijf vragen, ‘dwingen’ we de spreker na te denken over de kern van de zaak. Vandaag stellen wij de vragen aan Ronald Petru, kinderarts, intensivist en Chief Medical Information Officer in het Radboudumc.

Vraag 1. Hoe ziet een gemiddelde werkdag binnen deze verschillende functies in het Radboudumc er voor jou uit?

Ik werk voor 40% als kinderarts-intensivist en 60% als CMIO. Door de vele onregelmatige diensten op de IC werkt een verdeling in vaste dagen niet en verdeel ik het in weken. In de oneven weken draai ik volledig mee in het rooster op de intensive care voor kinderen, in de even weken werk ik als CMIO. Dit laatste houdt vooral in: besprekingen op alle niveaus in de organisatie met afdelingshoofden en collega’s zowel uit het zorgproces als van de afdeling informatiemanagement, mijn collega information officers uit de andere domeinen en met bestuurders. Mijn belangrijkste taak is om de zorgprocessen en informatiemanagement bij elkaar te brengen op alle niveaus met het focus op een digitale strategie voor de patiëntenzorg.

Vraag 2. Van welke innovatie in de zorg ben jij erg onder de indruk?

Ik zie vooral een enorme potentie voor kunstmatig “intelligente” spraakherkenning. Er zijn vele innovaties die, helaas, balanceren tussen over- en onderschatting van de mogelijkheden voor de patiënt en de zorgverlener. Maar ik zie deze als dé belangrijkste ontbrekende schakel om de omslag te kunnen maken tussen het alleen gebruiken en daadwerkelijk benutten van de nieuwe technologieën in de primaire patiëntenzorg. In het zorgproces gebruiken we menselijke communicatie en interactie in een brede context met veel nuances. Dit is hoe patiënten en zorgverleners informatie met elkaar uitwisselen en dat moet vooral zo blijven.

Systemen werken echter met gestructureerde gegevens: “geen woorden maar data”. Waar data soms voldoende informatie bieden voor het logistieke proces is dit zeker niet zo voor het zorgproces. De enige die nu de vertaling tussen informatie en data in de zorgcontext kan maken is de zorgverlener zelf. Dit leidt tot een ongewenste toename van de administratieve last voor de zorgverlener en wordt, grotendeels terecht, beleefd als oneigenlijk werk. Als we deze brug kunnen slaan dan kunnen de nieuwe technologieën ons pas echt gaan ondersteunen bij betere, veiligere en transparante patiëntenzorg. De afname van de administratieve last kan ons dan helpen om ons weer te richten waar we voor gekozen hebben en waar we voor opgeleid zijn: de persoonsgerichte, menselijke zorg.

Vraag 3. Het zorglandschap verandert snel en dat heeft onder andere invloed op de rol van de zorgprofessional. Hoe denk de rol van de zorgverlener er over tien jaar uitziet?

De zorg zal steeds meer gericht zijn op de behoeften van de persoon en minder op logistiek, locatie en ziektebeeld: de “menselijke meerwaarde” van de zorgverlener zal steeds belangrijker worden. Bij zorgverleners met vooral een diagnostisch en/of beschouwend proces zal de nadruk steeds minder komen te liggen op feitenkennis en het beoordelen van gegevens (beelden, uitslagen en metingen) omdat automatisering daar een belangrijke ondersteunende rol gaat spelen, maar meer op de menselijke factoren en op communicatie en het overzicht van de totale context van de patiënt.

Het lijkt mij echter vanzelfsprekend dat er ook nog “gewoon” behoefte zal blijven aan vakkundige handvaardigheid die maar ten dele ondersteund en zelden vervangen kan worden door technologie. Ook bepaalde complexe en intensievere zorg zal wel gebonden blijven aan een locatie. Deze zal echter ook wel anders worden dan het traditionele “ziekenhuis” zoals we dat kenden en ook niet alle expertise hoeft meer permanent op die locatie fysiek aanwezig te zijn.

Vraag 4. Welk advies zou jij willen meegeven aan (jonge) zorgvernieuwers die een bijdrage willen leveren aan de verbetering van de zorg?

Zoek naar de goede balans tussen innovatie en de werkelijke meerwaarde voor de samenleving. Dé patiënt bestaat niet maar is een persoon uit de samenleving die op enig moment patiënt is of wordt en dit verandert ook niet door “patiënt” anders te gaan noemen. Innovatie is een belangrijk middel maar moet als doel hebben om persoonsgerichte verbetering van de kwaliteit, veiligheid en beleving van gezondheid te bereiken. Innoveren kan, wat mij betreft, ook niet op een goede manier zonder kennis van de zorgprocessen en afweging van redenen voor het ontstaan van de huidige processen.

Vraag 5. Wie moeten wij volgens jou aan de tand voelen met ‘Vijf Vragen Aan’?

Prof. dr. Niels Chavannes is hoogleraar eHealth en hoogleraar huisartsgeneeskunde LUMC. Onder het “containerbegrip” eHealth wordt van alles uitgestort over de zorg en de patiënten. Sommige toepassingen zijn fantastisch, andere dragen weinig bij, maar de commerciële belangen en interesse vanuit de ICT industrie zijn groot. Om het koren van het kaf te scheiden heeft prof Chavannes vanuit het LUMC een researchinstituut opgericht.

In tegenstelling tot veel ICT-gedreven “innovatoren” in de zorg kenmerkt dit instituut zich door vakkennis van het zorgveld en de intentie om de patiënt te helpen mede door zorgverleners te ondersteunen in het verlenen van betere en efficiëntere patiëntenzorg in plaats van de zorgverlener te willen vervangen door technologie. Ook vindt men de balans tussen enerzijds (te) lang durende grote trials en anderzijds onbewezen nieuwe technologie door snel, slagvaardig maar gedegen wetenschappelijk de meerwaarde voor de patiënt te bewijzen en dit te publiceren in toonaangevende wetenschappelijke tijdschriften. Het is deze gebalanceerde en genuanceerde aanpak die mij bijzonder aanspreekt.